Overzicht:

- Wilco Vermeer neemt afscheid als secretaris STIWOT
- Onthulling plaquette deportatie Zeeuwse Joden
- Nederlandse onderzeeboten op Go2War2
- STIWOT Reizen Battlefield Tour "Het gevecht bij Mill"
- De koningin sprak
- Recensie: Mijn opa was een Duitser
- Opmerkelijk
- Bezienswaardigheid uitgelicht
- Verwacht: nieuwe Wereld in Oorlog
- Verhoor Arthur Seyss-Inquart op Go2War2



Wilco Vermeer neemt afscheid als secretaris STIWOT (Bestuur STIWOT)
STIWOT secretaris van het eerste uur Wilco Vermeer heeft besloten zijn functie als secretaris en bestuurslid voor STIWOT te beëindigen. Wilco blijft wel aan als projectleider WW2Awards.com en wil zich daarnaast binnen STIWOT met andere zaken bezig gaan houden.

Na de oprichting van STIWOT op 22 januari 2002 werd het bestuur in oktober 2002 versterkt door Wilco als secretaris. Wilco heeft de opbouw van STIWOT dus al bijna vanaf het begin als bestuurslid meegemaakt. Als bestuur willen wij Wilco op deze plek graag hartelijk bedanken voor zijn geweldige inzet al die jaren!


Onthulling plaquette deportatie Zeeuwse Joden (Mia van den Berg)
Op 16 maart 2011 werd onder grote belangstelling een plaquette onthuld in de stationshal van Middelburg. Deze plaquette is ter herinnering aan de Zeeuwse Joden die op 24 maart 1942 door het nazi-regime vanaf dit station op transport werden gesteld en omkwamen in de Duitse concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
 


Het transport op die dag tijdens de oorlog bestond uit een aantal Joodse inwoners van Middelburg en andere Joodse burgers die verspreid in de provincie Zeeland woonden. Zij zouden hun stad, dorp en provincie nooit meer terugzien. Van de toenmalige Joodse gemeenschap in Zeeland tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er waarschijnlijk 120 het slachtoffer van de Holocaust.

In de middag van 16 maart 2011 vertrok vanaf de Synagoge in de Herenstraat nr. 14 een stille tocht van genodigden en nabestaanden, waarbij belangstellenden voor de slachtoffers van de Holocaust zich konden aansluiten. Men liep naar het station van Middelburg, waar de plaquette onthuld werd door de commissaris van de Koningin, Karla Peijs, en burgemeester Koos Schouwenaar van Middelburg en twee Zeeuwse zussen die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog overleefden. De onthulling vond plaats in aanwezigheid van opperrabbijn J.S. Jacobs.

Er was zeer veel belangstelling: de stationshal stond vol met genodigden, belangstellenden en pers. Bij de overheidsgebouwen in de stad hingen deze dag de vlaggen halfstok uit eerbetoon voor de Joodse slachtoffers.

Jan van der Weel, oud-wethouder van Middelburg en oud-voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis, heeft het initiatief genomen voor de plaquette in de stationshal, terwijl de Stichting Synagoge Middelburg zich heeft ingezet voor de uiteindelijke realisatie van het kunstwerk. Ook de provincie Zeeland en de gemeente Middelburg hebben een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van deze herinneringsplaquette.
 
Appie Drielsma, een Limburgse kunstenaar en overlevende van de Holocaust, heeft de herinneringsplaquette ontworpen.


Nederlandse onderzeeboten op Go2War2 (Peter Kimenai)
Op Go2War2 zijn onlangs artikelen verschenen over de onderstaande Nederlandse onderzeeboten:
 
De tweede buitenlandse onderzeeboot die strandde in Nederland was de Britse HMS H 6. In januari 1916 liep de boot aan de grond in het Friesche Zeegat bij Schiermonnikoog. Ook deze onderzeeboot werd door een Nederlandse bergingsmaatschappij in opdracht van de marine vlotgetrokken en in beslag genomen. Op 4 mei 1917 kwamen de Britse en Nederlandse regeringen overeen dat de H 6 verkocht werd aan de Koninklijke Marine. Drie dagen later werd de onderzeeboot in Nederlandse dienst gesteld als Hr. Ms. O 8.
 
De onderzeeboten van de O 9-klasse waren met een waterverplaatsing onder water van 656 ton, bijna tweemaal zo groot als Hr. Ms. O 8. Een verdere noviteit was dat de boten van het Double-hull type waren, waarbij de ballasttanks zich tussen de twee drukvaste scheepshuiden bevonden. De bewapening werd, mede mogelijk gemaakt omdat de boten groter waren dan hun voorgangers, uitgebreid met één torpedolanceerbuis zodat het totaal uitkwam op vijf. Eén van de 45cm torpedolanceerinrichtingen bevond zich aan de achterzijde van de onderzeeboten. Deze zogenaamde hekbuis was ook nieuw bij Nederlandse onderzeeboten. De vier boegbuizen bestonden uit twee 45cm buizen en twee nieuwe 53,3cm buizen.
 
Ondanks dat er onlangs nog verschillende zoekacties zijn uitgevoerd door onder andere de Koninklijke Marine en Poolse instanties, die ook zochten naar de verdwenen Poolse onderzeeboot ORP Orzel, is het wrak van Hr. Ms. O 13 nog steeds niet gevonden. In september 2009 is in Dundee een nieuw monument onthuld ter nagedachtenis van alle opvarenden van geallieerde onderzeeboten die vanuit de Schotse haven actief waren. Hr. Ms. O 13 is één van de schepen die op het monument aangeduid worden als “Still on patrol”.
 
In augustus 1937 werden de zusterschepen van de KVII, Hr. Ms. K V en Hr. Ms. K VI, wegens ouderdom buiten dienst gesteld. De KVII daarentegen werd als reserveschip aangehouden en opgelegd in Soerabaja. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in de Oost, op 7 december 1941 na de Japanse aanval op Pearl Harbor, had de oude onderzeeboot samen met Hr. Ms. K VIII nog steeds deze status. Vanaf 3 februari 1942 werd Soerabaja, de belangrijkste geallieerde marinebasis in het Verre Oosten, regelmatig doelwit van Japanse luchtaanvallen. Op 18 februari werd er wederom een luchtalarm gegeven en Hr. Ms. K VII, met een dertienkoppige kernbemanning aan boord, onder wie commandant luitenant-ter-zee 1 P.J. Mulder, dook onder.
 
De drie onderzeeboten van de K VIII-klasse waren de opvolgers van de K V-klasse die voor het Ministerie van Koloniën gebouwd werden. De klasse werd vanaf 1917 gebouwd op de werf van de Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen volgens een ontwerp van de Amerikaanse Electric Boat Company. De bouw liep vanaf het begin grote vertragingen op. Dit was vooral een gevolg van de stagnerende aanvoer van grondstoffen als gevolg van de Eerste Wereldoorlog.
 
Ondanks dat de K XI-klasse onderzeeboten al vanaf 1924 gebouwd waren, beschikten zij tijdens de Tweede Wereldoorlog over voldoende offensieve waarde om ingezet worden tegen Japanse oppervlakteschepen. Hr. Ms. K XII zou de oudste Nederlandse onderzeeboot worden, die tijdens de Tweede Wereldoorlog vijandelijke schepen tot zinken bracht.


STIWOT Reizen Battlefield Tour "Het gevecht bij Mill": Zaterdag 14 mei 2011 (Jeroen Niels)
Graag brengen we u op de hoogte van een nieuwe STIWOT Battlefield Tour. Op zaterdag 14 mei 2011 zullen we een bezoek brengen aan Mill, waar de gevechten van 10 en 11 mei 1940 centraal zullen staan.

Het gevecht bij Mill op 10 en 11 mei 1940 is één van de hevigste gevechten uit de meidagen van 1940 geweest. Verschillende legereenheden stonden op een klein gebied tegenover elkaar. Mill was gelegen in de Peel- Raamstelling en had zodoende een belangrijk militair-tactisch belang. De Duitsers probeerden op deze plek een doorgang te forceren richting West-Nederland. De verdediging van deze stelling was ook voor de Nederlanders van bijzonder groot belang. Bij een doorbraak van de Peel-Raamstelling zouden de Duitsers geen enkele voorbereide verdediging meer voor zich vinden tot aan Rotterdam!
 


Zoals u van ons gewend bent bieden wij u ook dit jaar weer een dagvullend programma aan. Om 10.00 uur zullen we u ontvangen bij de oude brandweergarage in Mill. Van daaruit vertrekken we naar de O.L Vrouw ten Hove-kapel waar onze gidsen voor deze dag een lezing zullen geven over de gevechten en daarmee samenhangende gebeurtenissen. Aansluitend is er een verzorgde lunch in Mill. 's-Middags staat er een gecombineerde wandel- en busexcursie op het programma, waarbij de meest interessante plekken van de gevechten verder zullen worden bezocht en uitgediept. Het programma zal rond 16.30 uur worden afgerond.

Spreekt deze STIWOT Battlefield Tour u wel aan? Ga dan naar onze website voor het gehele programma en de mogelijkheid tot inschrijven!

 
De koningin sprak (Egbert van de Schootbrugge)
In deze nieuwsbrief willen wij een start maken met de nieuwe rubriek “De koningin sprak”. In deze rubriek zullen proclamaties en radiotoespraken van koningin Wilhelmina uit de Tweede Wereldoorlog integraal worden weergegeven. Afhankelijk van de lengte van de teksten zullen iedere maand één of meerdere proclamaties of toespraken worden gepubliceerd.
 
 - Proclamatie van 10 mei 1940 -
 
Mijn volk,
 
Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid al deze maanden een stipte neutraliteit had in acht genomen en terwijl het geen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden, is in de afgelopen nacht door de Duitse weermacht, zonder de minste waarschuwing, een plotselinge aanval op ons gebied gedaan, dit niettegenstaande de plechtige toezeggin, dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien, zolang wij haar handhaafden. Ik richt hierbij een vlammend woord van protest tegen deze voorbeeldeloze schending van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is.
 
Ik en mijn regering zullen ook thans onze plicht doen. Doet gij de uwe, overal en in alle omstandigheden, ieder op de plaats, waarop hij is gesteld, met de uiterste waakzaamheid en met die innerlijke rust en overgave, waartoe een rein geweten in staat stelt.
 
 - Proclamatie van 13 mei 1940 -

Nadat volstrekt zeker was geworden, dat wij en onze ministers in Nederland niet langer vrijelijk konden voorgaan met de uitoefening van het staatsgezag, moest het harde, maar noodzakelijke besluit worden genomen de zetel der regering te verplaatsen naar het buitenland, voor zoolang onvermijdelijk is en met de bedoeling ons terstond weer in Nederland te vestigen, zodra zulks maar enigszins kan.
 
De regering bevindt zich thans in Engeland. Zij wenst een regeringscapitulatie te voorkomen. Daarbij blijft het Nederlandse grondgebied dat in Nederlandse handen blijft, in Europa zowel als in Oost- en West-Indië, één soevereine staat, die zijn stem als volwaardig lid der statengemeenschap en in het bijzonder in de beraadslagingen van de gezamenlijke bondgenoten zal blijven laten horen en tot zijn recht zal weten te brengen. De militaire overheid en in hoogste ressort de opperbevelhebber van land- en zeemacht, beoordeelt thans, welke maatregelen er in militair opzicht nodig en verantwoord zijn.
 
Daar waar de overweldiger heerst, moeten de plaatselijke burgerlijke overheden alles blijven doen, wat in het belang der bevolking nuttig kan zijn en in de eerste plaats medewerken tot het bewaren van orde en rust.
 
Ons hart gaat uit naar onze landgenoten in het vaderland, die harde tijden zullen doormaken. Maar Nederland zal zijn gehele Europese grondgebieden eenmaal met Gods hulp herwinnen. Herinnert u de rampen uit vroeger eeuwen, waaruit Nederland is herrezen. Doet allen, wat u mogelijk is in ’s lands welbegrepen belang. Wij doen het onze.
 
Leve het vaderland!


Recensie: Mijn opa was een Duitser (Frans van den Muijsenberg)
Er zijn verschillende schattingen over het aantal kinderen dat in de periode tussen begin 1941 en maart 1946 geboren is en een Duitse vader heeft. De schrijfster en onderzoekster Monika Diederichs, die over dit onderwerp het aanbevelenswaardige "Wie geschoren wordt moet stilzitten" heeft geschreven, schat het aantal op misschien wel 15.000. Zelfs voorzichtige rekenaars komen op een aantal van 10.000 kinderen uit. Meestal horen die relaties van Nederlandse vrouwen met Duitse militairen en de vruchten daarvan tot de grote familiegeheimen. De verboden liefde werd na de oorlog uit zelfbescherming angstvallig doodgezwegen. Zelfs 65 jaar na afloop van de oorlog rust op het onderwerp nog steeds een behoorlijk taboe. Via de websites van de Werkgroep Herkenning en Stichting Verwantschapsvragen wordt de laatste tijd aandacht geschonken aan het onderwerp dat zo lang niet bespreekbaar was.
 

 
De vader van Alex Dekker was één van de duizenden oorlogskinderen uit een Nederlands-Duitse verhouding (een omschrijving die te prefereren is boven het toch wel foutieve Hollands-Duits, zoals in de subtitel wordt gebruikt). Op jeugdige leeftijd vernam hij dat zijn opa een Duitse militair was, waarover behalve de naam en geboorteplaats niet al te veel bekend was. Binnen de familie was er ook weinig behoefte meer te weten. Oma hield over haar kortstondige relatie met ene Herbert Noah uit Hannover de lippen op elkaar, de vader van Alex Dekker had zich neergelegd bij de situatie en ook bij de andere familieleden was er weinig behoefte om op speurtocht te gaan. Alex Dekker doet dat wel en gaat op zoek naar zijn onbekende Duitse opa. Hij neemt de lezer mee op zijn speurtocht en beschrijft in het boek het levensverhaal van de Duitse soldaat Herbert Noah. Een verhaal dat begint met de training in 1940 van de dan al 31-jarige Noah tot infanterist. Noah vecht vervolgens aan het Westfront in Frankrijk, daarna aan het Oostfront waar hij gewond raakt, belandt na zijn revalidatie een periode in Alkmaar en wordt tot slot ingezet bij de laatste Duitse gevechtshandelingen aan de Rijn in april-mei 1945. Daar wordt hij vlak voor het einde van de oorlog door de Amerikanen gearresteerd en tot begin 1947 geïnterneerd. Gedurende zijn onderzoek, dat zich over vele jaren uitspreidt, ontdekt Alex Dekker beetje bij beetje een deel van de levensgeschiedenis van zijn opa.
 
Lees verder op: Go2War2.nl


Opmerkelijk (Egbert van de Schootbrugge)
Op 1 februari 2003 verongelukte de spaceshuttle Colombia, met aan boord zeven bemanningsleden. Een van de verongelukte bemanningsleden was de 48-jarige Israëliet Ilan Ramon, luchtmachtpiloot en veteraan van de Jom Kippoeroorlog (1973) en van de invasie in Libanon (1982). Na de ramp werd bekent dat Ramon tijdens de ruimtevlucht een kopie van een tekening bij zich had van een in Auschwitz omgekomen Tsjechische tiener, Petr Ginz. Op deze tekening was te zien hoe de aarde er volgens Petr vanaf de maan uit zou zien. Ramon naam deze tekening mee  "om de dromen van een jongen die tussen de muren van een getto moest leven te doen uitkomen, en om alle slachtoffers van de Holocaust te gedenken". Het origineel wordt bewaard in het Yad Vashem museum te Jeruzalem.
 

 
Petr Ginz werd geboren op 1 februari 1928 te Praag. Al op jonge leeftijd bleek dat hij aanleg had voor tekenen en schrijven. Ginz was een intelligent en getalenteerd persoon. Tussen zijn 8e en 14e levensjaar schreef hij maarliefst 5 romans, waarvan Návšteva z praveku (Bezoek uit de prehistorie) het enige boek is waarvan de inhoud nog beschikbaar is. Het boek is geschreven in de stijl van Jules Verne, een schrijver die de voorliefde van Ginz had. Daarnaast sprak Petr vloeiend Esperanto, hiervoor heeft hij een Esperanto-Tsjechisch woordenboek opgesteld.
 

 
Toen de Jodenvervolging in Tsjecho-Slowakije startte, begon Petr een dagboek bij te houden over zijn belevenissen. Op 22 oktober 1942 werd de toen 14-jarige Petr Ginz gedeporteerd naar Theresienstadt, hier werd hij geplaatst in een jongerentehuis, “Heim 1”. Samen met enkele andere jongens startte hij de geheime krant Vedem (Wij leiden), wat van december 1942 tot in de zomer van 1944 wekelijks verscheen. Alle exemplaren van deze krant hebben de oorlog doorstaan. De inhoud van deze kranten is vaak erg aangrijpend, zeker gezien de leeftijd en omstandigheden van de schrijvers. Het volgende gedicht, geschreven door de 14-jarige Zdenek Weinberger  is daar een voorbeeld van:
 
"Erschöpfte Menschen ziehen durch die Strasse
die Kinder sind ganz bleich
sie tragen schwere Rucksäcke
der Transport nach Polen fährt gleich.
Es fahren die Alten 
Es fahren die Jungen 
Es fahren die Kranken 
Es fahren die Gesunden 
Werden sie überleben?"
 
Op 28 september 1944 werd de 15-jarige Petr getransporteerd naar Auschwitz, waar hij direct na aankomst werd vergast. Na de ramp met de Columbia doken in Praag notities van hem op, het bleek om een dagboek te gaan die de periode september 1941 tot en met augustus 1942 besloeg. Zijn zus, Chava Pressburger, publiceerde het dagboek onder de titel “Deník mého bratra”. Op 18 januari 2005 werd in Tsjechië een gedenkpostzegel uitgebracht met daarop het portret van Petr en zijn tekening.


 
Bezienswaardigheid uitgelicht (Mia van den Berg)
De website Oorlogsmusea.nl bevat duizenden entries. Al deze bezienswaardigheden hebben hun eigen verhaal, het ene verhaal bekender dan het andere. In deze rubriek wordt maandelijks een van deze entries uitgelicht. Deze maand is dat het monument voor Han Lansdorp en Jaap Nederveen te Smitshoek / gemeente Barendrecht. Het monument is als plaquette onthuld op 12 mei 1946 en was ingemetseld in de voorgevel van de Hervormde school, de latere Zuiderrandschool aan de Bakkersdijk. Na de sloop van de school werd de plaquette in een gemetseld monument geplaatst en verhuisde naar het plein voor de N.H. kerk aan de Bakkersdijk, tegenover de oorspronkelijke plaats van de school.
 

Foto: Han Oosterling
 
In Smitshoek was de 4e Bat LuA (Luchtafweer)gelegerd. In de strijd op 10 mei 1940 die volgde in de vroege ochtenduren om o.a. Vliegveld Waalhaven was er voor deze batterij in Smitshoek weinig te verdedigen door waarschijnlijke sabotage van het vuurleidingstoestel. De Duitse inval in Nederland, had grote gevolgen voor Smitshoek en omgeving. Vliegveld Waalhaven lag heel dichtbij en er werd zwaar gevochten tussen de Nederlandse militairen en de Duitse Fallschirmjäger. Deze Fallschirmjäger was een kompleet nieuw begrip voor de Nederlandse militairen van de luchtdoelbatterijen en men was aanvankelijk ook erg verrast totdat de Nederlandse militairen ermee geconfronteerd werden toen ze eenmaal geland waren.
 
De twee Nederlandse militairen Han Lansdorp en Jaap Nederveen sneuvelden tijdens de strijd om Vliegveld Waalhaven op 10 mei aan de Lageweg te Smitshoek. Han Lansdorp werd op 16 mei begraven te Barendrecht en is later overgebracht naar Haarlem. Jaap Nederveen werd op 24 mei begraven te Barendrecht waar hij naast Marinus Cornelis v.d. Merwe (3e Grensbataljon) begraven ligt, omgekomen te Goidschalkxoord in mei 1940 bij de strijd om de Barendrechtse brug. Naast deze twee graven ligt het Commonwealth War Grave van Jack Dawson Green.

 
Verwacht: nieuwe Wereld in Oorlog (Redactie Nieuwsbrief)
Deze maand verschijnt er weer een nieuwe Wereld in Oorlog, het magazine over de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Daarin aandacht voor de volgende onderwerpen:
 
- De doorbraak van de Hindenburglinie op 29 september 1918
- Het Joodse Werkdorp Nieuwesluis
- Opkomst en ondergang van een vluchtelingendorp in de Wieringermeer
- Een bezoekje aan Walcheren: WiO bezocht in Zeeland een bijzondere verzamelaar, die zich voornamelijk bezig houdt met zijn regio
- Dwangarbeiders in de frontlinie: een interview met de zoon van een Nederlander die in 1944 tijdens de razzia in Rotterdam opgepakt werd.
- V3: Hitlers laatste geheime wapen
 

 
Abonnees ontvangen dit nummer binnenkort automatisch. Voor Vlaamse lezers en losse nummerkopers: het nieuwe nummer van Wereld in Oorlog is spoedig te bestellen via: Magvilla.nl of download het magazine voor op de Ipad op Magazine.nu.


Verhoor Arthur Seyss-Inquart op Go2war2 (Redactie Go2War2)
Elke maand citeren we in de STIWOT-nieuwsbrief een passage uit een verhoor van het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Dit keer hebben we een passage geselecteerd uit het verhoor van Arthur Seyss-Inquart, de Duitse rijkscommissaris voor het bezette Nederland. Ter sprake komen de concentratiekampen in Nederland.
 
Dr. STEINBAUER: Waren er in Nederland ook concentratiekampen?
SEYSS-INQUART: Ja, in het bijzonder het grote concentratiekamp in Vught bij 's Hertogenbosch. Dan nog een Polizeiliches Durchgangslager bij Amersfoort en een Jüdisches Sammellager bij Westerbork. Ik heb het al over St. Michielsgestel gehad; dat was een kamp voor preventieve hechtenis. En misschien moet ook het kamp bij Ommen worden genoemd, dat weliswaar geen politiekamp en geen concentratiekamp was maar misstanden heersten daar ook.
Dr. STEINBAUER: Wat kunt u mij zeggen over het kamp bij Den Bosch?
SEYSS-INQUART: Den Bosch was oorspronkelijk bedoeld als verzamelkamp voor Joden in een periode waarin we de Joden in Nederland wilden houden. Maar Reichsführer Himmler gaf bevel er een concentratiekamp van te maken. Na enig nadenken stelde ik mij met dit idee tevreden. In aanmerking nemend dat ik niet kon voorkomen dat Nederlanders in concentratiekampen terecht kwamen, had ik ze liever in concentratiekampen in Nederland, waar ik misschien nog enige invloed kon uitoefenen.
Dr. STEINBAUER: Maar er zouden ook in deze concentratiekampen excessen hebben plaatsgevonden -bijvoorbeeld in het bijzonder in Kamp Vught, wat u net noemde.
SEYSS-INQUART: Dat is volkomen waar. Er waren excessen in gevangenissen, net zo als in concentratiekampen. Ik beschouw dit als vrijwel onvermijdelijk in oorlogstijd omdat ondergeschikten ongelimiteerde macht over anderen krijgen en dat kan niet altijd voldoende worden gecontroleerd. Als ik over excessen hoorde, nam ik maatregelen -de eerste keer tegen eind 1940 of 1941 toen de voorzitter van mijn Duitse rechtbank mij rapporteerde dat een gevangene was voorgeleid met verwondingen door slagen op het hoofd. Ik liet het geval onderzoeken en de directeur van de gevangenis werd disciplinair gestraft en teruggestuurd naar het Reich.
In Kamp Vught, kort na de opening was het sterftecijfer hoog. Ik liet direct een onderzoek instellen, gebruik makend van de diensten van Nederlands medisch personeel. Iedere dag -en later iedere week- liet ik mij de sterftecijfers rapporteren, totdat die tot een vrijwel normaal niveau daalden. Natuurlijk weet ik niet of de commandant van het kamp alleen de natuurlijke sterfgevallen rapporteerde of dat hij de executies er ook in betrok, dat zou ik niet kunnen zeggen. In dit kamp vonden excessen plaats veroorzaakt door drankorgies en braspartijen, opstootjes en gevechten kwamen zo nu en dan ook voor. De kampcommandant werd ontslagen en naar het Reich gestuurd. Ik merkte dat de Höhere SS und Polizeiführer zelf had geprobeerd de orde te herstellen, hoewel hij niet de leiding over de kampen had, die vielen onder Gruppenführer Pohl.
Er was één zeer ernstig geval dat in Document E-224 D is beschreven onder de titel, "Vrouwen in de cel." De commandant van het kamp liet, vermoedelijk om redenen van discipline, een groot aantal vrouwen gedurende de nacht in een te kleine cel opsluiten, waarbij drie vrouwen door verstikking om het leven kwamen. Toen we daarover hoorden eisten we juridische stappen. Het centrale bestuur in Berlijn weigerde en we wendden ons tot Reichsführer SS Himmler en gaven niet toe. De kampcommandant werd voor het gerecht gebracht en kreeg minstens vier jaar, ik denk zelfs acht jaar gevangenisstraf. Dat wordt ook aangegeven in het Franse verslag.
Dr. STEINBAUER: Wat kunt u zeggen over Kamp Amersfoort?
SEYSS-INQUART: Dat was een doorgangskamp van de politie -dat wil zeggen voor gevangenen van de politie die voor het gerecht moesten verschijnen of die naar het Reich moesten worden afgevoerd, of personen die arbeidsdienst weigerden en die naar het Reich werden gestuurd. Over het algemeen konden ze daar niet langer dan 6 of 8 weken blijven. Er waren Nederlandse bewakers in dit kamp, geen Nederlandse politie maar een vrijwilligerseenheid van de SS geloof ik.
Excessen vonden hier ook plaats. Secretaris-generaal Van Dam maakte mij attent op het feit dat er een Nederlander vermoedelijk was doodgeslagen. Ik drong er bij de Höhere SS und Polizeiführer op aan, deze zaak boven tafel te krijgen. Hij deed dit via zijn rechtbankofficier en stuurde mij de dossiers toe. Volgens deze dossiers vonden er ernstige mishandelingen plaats maar er werd niemand gedood en de verantwoordelijke personen werden bestraft.
Ik maakte de Höhere SS und Polizeiführer er regelmatig op attent dat concentratiekampen en gevangenissen in oorlogstijd feitelijk broeinesten van wrede excessen waren. Als er hier of daar, geen ernstig geval maar een zekere slechte behandeling aan mij werd gerapporteerd bracht ik dat altijd onder zijn aandacht. Hij rapporteerde dan aan mij dat ofwel het geval niet had plaats gevonden of dat hij maatregelen had genomen enzovoort.
In het bijzonder liet ik altijd de cijfers over de voedselrantsoenen in concentratiekampen en gevangenissen aan mij rapporteren. De voedselrantsoenen waren voldoende. Ik geloof dat Nederlanders eind 1944 en in 1945 in concentratiekampen en gevangenissen meer voedsel kregen dan de Nederlanders in het westen van het land. Ik wil niet teveel belang aan dit feit hechten want de Nederlanders leden werkelijk honger.
Dr. STEINBAUER: Dan was er Kamp Westerbork.
SEYSS-INQUART: De Nederlandse regering had Kamp Westerbork al ingericht als volledig vrij kamp voor Joden die uit Duitsland waren gevlucht. Het werd uitgebreid tot een verzamelkamp voor Joden. In het kamp zelf waren Joodse bewakers om de orde te handhaven. De Nederlandse politie bewaakte het kamp aan de buitenkant. Er lag slechts een afdeling van de Sipo voor toezicht in het kamp. In geen enkel dossier vond ik melding van excessen in het kamp zelf. Elke zondag gingen er priesters naar het kamp, tenminste één priester voor de Katholieke Joden en een voor de zogenoemde Christelijken. Ook zij rapporteerden nooit iets.
Dr. STEINBAUER: We hebben het later wel over hun verwijdering. Ik wil het nu hebben over Ommen. Daarover is een lijvig verslag.
SEYSS-INQUART: Ommen was bedoeld als opleidingskamp voor die Nederlanders die vrijwillig wilden werken in de economie van de Oostelijke gebieden. Ze kregen lessen over het land, de mensen en hun taal. Het hoofd van het kamp leende gevangenen uit een nabijgelegen gevangenis voor het werk. Toen ontving ik rapporten dat deze gevangenen slecht werden behandeld. De rechters in Amsterdam wendden zich tot mij. Ik gaf de Nederlandse rechters van Amsterdam toestemming om persoonlijk het kamp te inspecteren en met de gevangenen te spreken. Dat gebeurde, volgens Document F-224(d) op 5 maart 1943. Daarop schreven de Amsterdamse rechters een lange brief aan de Secretaris-generaal van Justitie. Ze beklaagden zich over de slechte behandeling van deze gevangenen die ze hadden waargenomen en over het feit dat Nederlandse gevangenen naar gevangenissen in het Reich werden overgebracht om te werk gesteld te worden. De klachten waren gerechtvaardigd en ik gaf bevel dat de gevangenen uit het Kamp Ommen moesten worden teruggestuurd naar de Nederlandse strafinrichting en dat Nederlandse gevangenen uit Duitse gevangenissen naar Nederlandse gevangenissen moesten terugkeren. Deze procedure was correct en daarom nam ik de gepaste maatregelen om de kwestie te regelen.
 
 
 
 

STIWOT Nieuwsbrief

11de jaargang, 3e editie
  maart 2011



De schrijvers in deze Nieuwsbrief zijn onafhankelijk en niet gebonden aan enig politiek denkbeeld of groepering. Grote interesse in de Tweede Wereldoorlog en de behoefte om er iets mee te doen hebben geresulteerd in dit continue project op vrijwillige basis.

Indien u ideeën, vragen of opmerkingen heeft verzoeken wij u om contact op te nemen met STIWOT.