Overzicht: 
- Barak 1B vanaf 30 november voor publiek geopend
- Nieuwe artikelen op Go2War2.nl
- Recensie: Hitlers furiën
- Auteurs gezocht voor Go2War2.nl
- Benjamin Ferencz en zijn strijd voor gerechtigheid

- Medewerkers e-mailafhandeling gezocht voor TracesOfWar.com
- Verhoor Keitel op Go2War2.nl 


 
Barak 1B vanaf 30 november voor publiek geopend (Redactie Nieuwsbrief)
In de authentieke kampbarak 1B heeft Nationaal Monument Kamp Vught onder één dak de uiteenlopende, niet zelden opmerkelijk gelijksoortige ervaringen bijeen gebracht van vier groepen mensen, die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in (voormalig) Kamp Vught belandden. Het levert een bijzondere en prikkelende inkijk in 70 jaar recente, soms schurende Nederlandse geschiedenis. Een verleden dat lange tijd was omgeven met trauma’s en taboes, maar in de afgelopen decennia meer bespreekbaar is geworden.


Verbazing en reflectie
De aansprekende en veelzijdige expositie is het resultaat van zorgvuldig onderzoek naar de thema’s die op deze plaats en voor dit specifieke gebouw van belang zijn. Het gaat dan onder meer om insluiten en uitsluiten, dromen en idealen, hoop en vertwijfeling, moed en verraad, macht en onmacht en om geestelijke weerbaarheid.

De persoonlijke lotgevallen van de politieke gevangenen en joden, van degenen die werden verdacht van collaboratie met de bezetter, van de Duitse burgerevacués uit het grensgebied en tenslotte sinds 1951 de Zuid-Molukkers, ontroeren, verbazen en dwingen tot reflectie. Er valt ook veel te leren over ons eigen, niet eens zo verre verleden.
 
Lees voor meer informatie het complete persbericht op WO2Actueel.

 
Nieuwe artikelen op Go2War2.nl (Redactie Go2War2.nl)
HMS Queen Emma en HMS Princess Beatrix   
De namen HMS Queen Emma en HMS Princess Beatrix doen terecht vermoeden dat de schepen, ondanks dat zij in dienst van de Royal Navy waren, een sterke band met Nederland hadden. De beide zusterschepen waren dan ook in Nederland gebouwd als Koningin Emma en Prinses Beatrix.
 
 
Bernard Montgomery  
Field Marshal Bernard Montgomery is niet onomstreden. Aan de ene kant was hij degene die eind 1942 het Duitse Afrikakorps versloeg en zo het geschonden Britse blazoen weer wat kleur gaf. Ook was hij altijd zeer begaan met het lot van zijn soldaten. Aan de andere kant stond hij bekend als egocentrisch, tactloos en beledigend, vooral tegenover de Amerikanen. Ook was hij de bedenker van de desastreus verlopen operatie Market Garden. Walter Bedell-Smith, de stafchef van Dwight Eisenhower gedurende de oorlog, zei tegen hem: "You may be great to serve under, but you sure are hell to serve over."
 
 
George Brooks
Air Vice Marshal George Brookes, van geboorte een Engelsman, had gedurende de periode 1942-1944 het bevel over de Canadese Group binnen Bomber Command. Hij wist vrijwel uit het niets in het buitenland een complete Group op te zetten en deze klaar te stomen voor de strijd. De Britse overheid was diep onder de indruk van deze prestatie en onderscheidde hem met de Order of the Bath. De bevelhebber van Bomber Command, Air Marshal Sir Arthur Harris was echter niet tevreden over Brookes en ontnam hem zijn commando.
 
 
Clifford McEwen
Clifford ‘Black Mike’ McEwen was een ‘aas’ uit de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast was hij de enige Canadees die tijdens de Tweede Wereldoorlog het bevel voerde over een Group van Bomber Command. Hij wist op te klimmen tot de rang van Air Vice Marshal. De progressie die hij met No.6 Group maakte na zijn aanstelling kon op grote bewondering rekenen van Air Marshal Sir Arthur Harris, vnaf 1942 de bevelhebber van Bomber Command. McEwen stond op het punt om verder carrière te maken binnen de geallieerde luchtmacht, toen het einde van de Tweede Wereldoorlog in augustus 1945 dat voorkwam.
 


Tip: via Twitter en Facebook blijft u dagelijks op de hoogte van de nieuwste artikelen en recensies op Go2War2.nl.


Recensie: Hitlers furiën (Marie-Cécile van Hintum)
Met honderdduizenden moeten ze geweest zijn. "Furiën van Hitler", jonge patriottische Duitse vrouwen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog naar de door de nazi’s bezette gebieden in Polen, Oekraïne, Wit-Rusland, Estland, Letland en Litouwen trokken. Op zoek naar een leuk leven, een goede baan en wat avontuur droegen ze als verpleegster, lerares, secretaresse of echtgenote van een SS’er vaak ijverig bij aan de arisering en uitbuiting van de plaatselijke bevolking. Daar in het Oosten, de "killing fields" van de Holocaust, kwamen deze gewone vrouwen in aanraking met de dagelijkse realiteit van Hitlers vernietigingsmachine, schikten zich in de omstandigheden en ontspoorden soms op gruwelijke wijze, zoals de Amerikaanse historica Wendy Lower in "Hitlers furiën – Vrouwelijke beulen in de killing fields van de Holocaust" met vele huiveringwekkende details laat zien.
 


Zo konden de vrouwen in hun nieuwe woon- en werkomgeving Duitse soldaten openlijk over het doodschieten van weerloze Joden horen spreken, bij genoeglijke zondagse picknickjes op verse massagraven stuiten of zich verbazen over het "schorriemorrie" en de stank in de getto’s, waar ze op koopjesjacht gingen. Ze konden lijken aan palen zien hangen en waren getuige van vernedering en deportaties van Joden. Die gingen een zekere dood tegemoet in Sobibor, Treblinka, Auschwitz-Birkenau en andere vernietigings- en concentratiekampen. ‘O mama, wat een enorm slachthuis is de wereld toch’, schreef de verpleegster Annette Schücking vanuit Oekraïne naar huis. Net als bij vele andere vrouwelijke ooggetuigen overheersten ook bij haar machteloosheid, angst en teleurstelling over wat ze meemaakte. Maar wat kon je doen? Liever keek Annette van de ellende weg en stortte ze zich op haar "arische plichten".
 
Dat laatste deden andere vrouwen in Hitlers slachthuis eveneens, zij het met minder gewetensbezwaren. Zij werden medeplichtig of deden eigenhandig mee aan plundering en moordpartijen. Vaak gedreven door machtswellust en hebzucht stelden typistes lijsten op van te executeren Joden en lieten echtgenotes van SS’ers Joodse slaven hun villa’s verbouwen. Of schoten vrouwen des huizes vanaf hun balkons en tijdens jachtpartijtjes bij gebrek aan dieren op loslopende Joden. Voor Erna Petri en Johanna Altvater was dat alles nog niet genoeg. De Ostrausch waarin deze "vrouwen van" verkeerden, dreef hen tot perverse slemppartijen vol wreedheden tegen weerloze slachtoffers, actieve aanwezigheid bij massa-executies van Joden en, last but not least, tot brute moord op kleine kinderen. Petri had zich "alleen maar" willen bewijzen, daarom schoot ze Joodse kinderen dood. Na de oorlog verklaarde ze: ‘In dat gebied hoorde je in die dagen trouwens overal dat Joodse personen en kinderen werden doodgeschoten, en dat maakte dat ik hen ook doodde.’
 


Auteurs gezocht voor Go2War2.nl (Redactie Go2War2.nl)
Martin Bormann, Adolf Hitler, Jagdpanther, PzKpfw IV, Molotov-Ribbentrop Pact, overval op de zender Gleiwitz en John Frost. Het zijn zomaar wat onderwerpen van artikelen die op Go2War2.nl herschreven moeten worden, omdat ze niet langer voldoen aan onze wensen.
 
Ben je net als wij gefascineerd door de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en wil je je kennis graag delen met een groot publiek? Dan kunnen we je heel goed gebruiken als auteur voor Go2War2.nl, de grootste Nederlandstalige website over de Tweede Wereldoorlog.
 
Als auteur kun je ons helpen met het vernieuwen van verouderde artikelen op onze website. Objectiviteit, een goede bronvermelding en een goed leesbaar en correct taalgebruik zijn enkele belangrijke eisen die wij stellen aan de artikelen. Een beginnende auteur wordt, indien nodig, begeleid door een ervaren auteur. Schrijf je liever over een zelf gekozen onderwerp? Ook dan is je bijdrage uiteraard van harte welkom!
 
Om te kunnen beoordelen of iemand geschikt is als auteur verlangen we bij aanmelding een proefartikel. Het onderwerp wordt in overleg bepaald. Nadere informatie of aanmelding: Projectleider Kevin Prenger (kevin@go2war2.nl)

 
Benjamin Ferencz en zijn strijd voor gerechtigheid (Redactie Go2War2.nl)
Binnenkort verschijnt de 36e editie van Wereld in Oorlog. Het tweemaandelijks verschijnende magazine Wereld in Oorlog vertelt opmerkelijke, aangrijpende en dramatische verhalen achter belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en militaire operaties in de recente oorlogsgeschiedenis. In dit komende nummer kunt u een artikel van Go2War2.nl-medewerker Kevin Prenger verwachten over Benjamin Ferencz, de inmiddels 93-jarige voormalige hoofdaanklager tijdens het Einsatzgruppen-proces in Neurenberg en een levenslange voorvechter van internationale gerichtheid. Hieronder een voorproefje.
 


Zevenentwintig jaar oud was Benjamin Ferencz (1920) toen hij kort na de oorlog in Neurenberg hoofdaanklager was in het Einsatzgruppen-tribunaal dat in de media “de grootste moordzaak in de geschiedenis” werd genoemd. Vierentwintig voormalige leiders van de Duitse moordeskaders werden ter verantwoording geroepen voor de moord op meer dan 1 miljoen Joden en andere bevolkingsgroepen aan het Oostfront. Het was zijn bevlogenheid waar de jonge Joods-Amerikaanse jurist zijn benoeming aan te danken had, want  buigen op een glansrijke militaire of juridische carrière kon hij niet.
 
Het levensverhaal van Benjamin Berell Ferencz is een schoolvoorbeeld van de Amerikaanse droom. In 1921 emigreerde hij, tien maanden jong, met zijn ouders en oudere zus naar de Verenigde Staten. Hij was geboren in een armoedig boerenhuisje in Transsylvanië. Antisemitisme had de Joodse familie naar Amerika gedreven. Benjamins vader was oorspronkelijk schoenmaker, maar vond in New York een betrekking als conciërge in de wijk Hell’s Kitchen in de Lower East Side van Manhattan. Het was bepaald geen inspirerende omgeving om op te groeien: de wijk had de hoogste misdaaddichtheid van het land en de gevolgen van de beurscrash van 1929 waren voor de toch al niet welvarende inwoners groot. Armoede en werkloosheid maakten velen van hen, inclusief de familie Ferencz, afhankelijk van overheidssteun.
 
Benjamins ouders scheidden toen hij zes was, maar zowel de echtscheiding als de armzalige omstandigheden waarin hij opgroeide kregen hem niet klein. Hij greep alle kansen aan om iets van zijn leven te maken. Als tiener verdiende hij al een zakcentje met allerlei bijbaantjes. Hij volgde middelbaar onderwijs op de Townsend Harris High School, een openbare school die hem na het behalen van zijn diploma automatisch toegang gaf tot het City College of New York. Omdat er aan het studeren aan het City College geen leskosten verbonden waren, stond de onderwijsinstelling bekend als “Harvard voor de armen”. Ferencz volgde hier college van 1937 tot 1940 en zou de Verenigde Staten altijd dankbaar blijven voor het gratis onderwijs dat hij genoot. Niet eerder had iemand uit zijn familie de kans gekregen om te studeren.
 
Al op jonge leeftijd wist Benjamin dat hij jurist wilde worden. Na zijn ervaringen in Hell’s Kitchen wilde hij een bijdrage leveren aan de bestrijding van jeugdcriminaliteit. Zijn eerste ervaringen in de juridische wereld deed hij op toen hij voor zijn studie vrijwilligerswerk deed in het strafrechtsysteem van New York. Hij ontdekte toen dat ogenschijnlijk respectabele burgers in staat waren tot de meest vreselijke misdaden, een conclusie die hij later in Neurenberg bevestigd zou zien. In 1940, op twintigjarige leeftijd, behaalde hij zijn bachelorsdiploma in de sociale wetenschappen. Daarna zette hij zijn zinnen op het vervolgen van zijn opleiding aan de Harvard Law School. Hij werd toegelaten tot de prestigieuze universiteit, een grote prestatie voor de jongeman die gedurende zijn vroege jeugdjaren voorbestemd leek voor een leven in armoede.

 
Meer weten over Wereld in Oorlog?
Bezoek de nieuwe website op www.wereldinoorlog.com, volg WIO op Twitter, 'like' de Facebookpagina of wordt lid van de actieve LinkedIn-groep, waar u relevante links kunt delen met andere lezers of met elkaar in gesprek kunt gaan.


Medewerkers e-mailafhandeling gezocht voor TracesOfWar.com (Redactie Nieuwsbrief)
We zijn op zoek naar vrijwilligers die actief een aantal uurtjes per week de e-mail van de website TracesOfWar.com willen afhandelen. Dit betreft deels het beantwoorden van binnenkomende vragen, maar ook het verwerken van binnenkomende informatie. Hiervan moeten artikelen gemaakt worden die vervolgens op de website geplaatst worden.

Wij zoeken mensen waar op we kunnen bouwen, die zich voor langere tijd aan STIWOT willen binden en zo willen helpen aan het verder uitbouwen en professionaliseren van de TracesOfWar.com website. Gegevensverwerking en artikelen plaatsen gaat via ons eigen online databasesysteem.

Wij verwachten ervaring met fotobewerking en goede beheersing van de Nederlandse taal in geschrift, goede beheersing van de Engelse taal is een pré. Wij zoeken mensen die zonder veel aansturing en begeleiding direct aan de slag kunnen gaan.

Nadere informatie of aanmelding: Jeroen Koppes (jeroen@stiwot.nl)


Verhoor Keitel op Go2War2.nl (Redactie Go2War2.nl)
Elke maand citeren we in de STIWOT-nieuwsbrief een stuk uit een verhoor van het Internationale Militaire Tribunaal in Neurenberg. Dit keer hebben we gekozen voor een fragment uit het verhoor van Wilhelm Keitel, de chef van het Opperbevel van de Duitse Strijdkrachten (OKW). Hieronder wordt hij door zijn raadsman Otto Nelte ondervraagd over de inzet van krijgsgevangenen als dwangarbeiders.
 
Dr. NELTE: Het krijgsgevangenenstelsel is natuurlijk nauw verbonden met het arbeidsprobleem. Welke afdelingen waren verantwoordelijk voor de tewerkstelling van krijgsgevangenen?
 KEITEL: De afdelingen die zich hiermee bezig hielden waren de Rijksarbeidsbureau’s binnen de zogeheten Reichsarbeitsdienst die oorspronkelijk onder de Reichsarbeitsminister viel maar later werd overgeheveld naar de Generell Bevollmächtigte für den Arbeitseinsatz. In de praktijk werkte het als volgt: de Rijksarbeidsbureau’s dienden een verzoek om arbeiders in bij het regionaal commando van de strijdkrachten dat zeggenschap had over de kampen. Deze arbeiders werden ter beschikking gesteld zover als binnen de bestaande algemene regelingen mogelijk was.
 Dr. NELTE: Wat had het OKW te maken met de inzet van arbeid?
 KEITEL: In het algemeen moesten ze er natuurlijk toezicht op houden zodat de toewijzing geregeld werd volgens de algemene grondregels. Het was natuurlijk onmogelijk, en de inspecteur was ook niet in een positie om te controleren hoe elk individu werd ingezet; tenslotte waren de regionale commandanten van de strijdkrachten en hun generaals van het KGW daarvoor verantwoordelijk en waren de aan te spreken personen. Het werkelijke gevecht om arbeid, zoals ik het zou willen noemen, door krijgsgevangenen begon pas echt in 1942. Tot dan toe waren dergelijke arbeiders voornamelijk tewerkgesteld in de landbouw en de Duitse spoorwegen en een aantal algemene sectoren maar niet in de industrie. Dit gold in het bijzonder voor Sovjet krijgsgevangenen die over het algemeen landarbeiders waren.
 Dr. NELTE: Wat was de feitelijke reden voor deze inzet van arbeiders?
 KEITEL: In de winter van 1941-1942 werd het probleem van het vervangen van uitgevallen soldaten steeds groter, in het bijzonder op het strijdtoneel in het Oosten. Er waren aanzienlijke aantallen soldaten, die geschikt waren voor actieve dienst, nodig voor het front en alle andere diensten. Ik herinner me de aantallen. Het leger alleen al had jaarlijks een aanvulling nodig van 2 tot 2.5 miljoen man. Aangenomen dat ongeveer 1 miljoen hiervan afkomstig was uit normale werving en ongeveer een half miljoen uit genezing, zieken en gewonden die weer beter waren geworden, dan blijft er jaarlijks nog een tekort van 1 miljoen man over ter vervanging. Deze zouden uit de oorlogseconomie kunnen worden gehaald en ter beschikking gesteld van de strijdkrachten. Dit feit had een nauwe samenhang tot gevolg tussen het weghalen van deze mannen uit de oorlogseconomie en hun vervanging door nieuwe arbeiders. Deze mankracht moest enerzijds uit de krijgsgevangenkampen worden gehaald, anderzijds via Gevolmachtigde Sauckel, wiens taak kan worden samengevat als het verkrijgen van arbeidskrachten. Dit verband hield mij ook bij deze zaken want ik was verantwoordelijk voor de aanvulling voor de hele Wehrmacht - Landmacht, Marine en Luftwaffe – met andere woorden, voor het hele systeem van werving. Daarom was ik aanwezig bij gesprekken tussen Sauckel en de Führer betreffende vervangingen en hoe deze vervangingen moesten worden gevonden.
 Dr. NELTE: Wat kunt u mij vertellen over de inzet van krijgsgevangenen in de industrie en in de wapenindustrie?
 KEITEL: Tot aan 1942 of daaromtrent hadden we krijgsgevangenen in geen enkele industrie gebruikt die ook zelfs indirect met wapens was verbonden. Dat was vanwege een strikt verbod van Hitler, dat hij uitvaardigde omdat hij vreesde voor pogingen tot sabotage van machines, productiemiddelen enzovoorts. Hij achtte dergelijke dingen waarschijnlijk en gevaarlijk. Pas toen de noodzaak ons dwong iedere arbeider op een of andere manier in de eigen industrie in te zetten, verlieten we dit principe. Er werd niet langer over gepraat en natuurlijk werden er daarna krijgsgevangenen gebruikt in de algemene oorlogsproductie, terwijl mijn standpunt was, dat ik, dat wil zeggen het OKW, uitdrukte in mijn algemene bevelen dat hun inzet in wapenfabrieken verboden was; ik vond het ontoelaatbaar krijgsgevangenen in te zetten in fabrieken die uitsluitend wapens produceerden, daarmee bedoel ik oorlogstuig, wapens en munitie. Voor de volledigheid zou ik misschien moeten toevoegen dat een Führerbefehl, uitgegeven op een later tijdstip een verdere opheffing van de beperkingen van bestaande orders voorschreef. Ik denk dat de Aanklager stelde dat Minister Speer wordt verondersteld te hebben gesproken over zoveel duizenden krijgsgevangenen die waren ingezet in de wapenindustrie. Ik kan echter zeggen dat er in de wapenindustrie veel werk moest worden gedaan dat niets te maken had met de feitelijke productie van wapens.
 Dr. NELTE: De Aanklager heeft herhaaldelijk gesteld dat krijgsgevangenen door de politie werden vastgezet en zelfs in concentratiekampen geplaatst. Kunt u dat uitleggen?
 KEITEL: Ik denk dat de uitleg is dat het al genoemde selectieproces al in de kampen plaats vond. Verder zijn er documenten die aantonen dat krijgsgevangenen, in wiens geval de disciplinaire bevoegdheden van de commandant niet toereikend waren, eruit werden gehaald en overgedragen aan de Gestapo. Tenslotte heb ik al genoemd het onderwerp van gevangenen die ontsnapt waren en weer waren gepakt; een aanzienlijk aantal daarvan, zo niet de meerderheid, keerde niet naar hun kampen terug. Instructies van de kant van het OKW of van de Chef van het KGW, die plaatsing van deze gevangenen in een concentratiekamp bevolen, zijn mij niet bekend en zijn nooit uitgegeven. Maar het feit is hier op diverse manieren aangetoond – door getuigen en door documenten - dat wanneer zij eenmaal aan de politie waren overgedragen, ze regelmatig in concentratiekampen belandden. Dat is mijn uitleg.
 
 



STIWOT Nieuwsbrief

13de jaargang, 11e editie
  november 2013



De schrijvers in deze Nieuwsbrief zijn onafhankelijk en niet gebonden aan enig politiek denkbeeld of groepering. Grote interesse in de Tweede Wereldoorlog en de behoefte om er iets mee te doen hebben geresulteerd in dit continue project op vrijwillige basis.

Indien u ideeën, vragen of opmerkingen heeft verzoeken wij u om contact op te nemen met STIWOT.